1. Home
  2.   MIRT 2014
  3.   Bijlagen
  4.   I Toelichting op het MIRT en de projectbladen
  5. Toelichting op het MIRT en de projectbladen

Toelichting op het MIRT en de projectbladen

Toelichting op het MIRT

Het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) kent op dit moment vijf onderdelen die samen waarborgen dat het doel van het MIRT gerealiseerd wordt. Deze vijf zijn (1) de bestuurlijke overleggen tussen Rijk en regio in het najaar, (2) de in gezamenlijk overleg tussen Rijk en regio opgestelde gebiedsagenda’s, (3) het MIRT Onderzoek, (4) de Spelregels van het MIRT en (5) het MIRT Projectenboek. Deze vijf onderdelen worden hieronder toegelicht.

Bestuurlijke overleggen MIRT

Het MIRT gaat uit van intensieve samenwerking tussen het Rijk en de decentrale overheden. Om dit te faciliteren is er het bestuurlijk overleg MIRT waarin elk najaar rijksinvesteringen en regionale investeringen op elkaar worden afgestemd. Voor het Rijk is het bestuurlijk kader voor de prioritering van opgaven en oplossing de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de beleidsmix investeren, innoveren en in stand houden. In het overleg komt het lopende rijksinvesteringsprogramma aan bod. Aan de hand hiervan worden nadere (financiële) afspraken en, waar nodig, bestuurlijke afspraken gemaakt. Ook wordt voortgang en agendering van nieuwe projecten besproken. Om besluitvorming over infrastructuur, water en ruimtelijke ontwikkelingen zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen, zitten niet alleen decentrale bestuurders met verkeer en vervoer in hun portefeuille aan tafel, maar ook bestuurders met andere ruimtelijke portefeuilles. De resultaten van de bestuurlijke overleggen MIRT worden per brief aan de Tweede Kamer gemeld en tijdens het notaoverleg MIRT besproken.

Gebiedsagenda’s

De gebiedsagenda’s vormen de basis voor het bespreken van onderwerpen in de bestuurlijke overleggen MIRT en het maken van concrete (financiële) afspraken. Vanaf 2009 zijn door Rijk en regio’s gezamenlijk acht gebiedsagenda’s opgesteld. Het gaat om Noordwest-Nederland, Utrecht, Zuidvleugel, Zuidwestelijke Delta, Brabant, Limburg, Oost- en Noord-Nederland. Een gebiedsagenda bestaat grosso modo uit twee delen. Deel één beschrijft de visie en ontwikkelrichting van de betreffende regio, inclusief daaruit voortvloeiende majeure opgaven. Het tweede deel betreft de uitwerking van deze opgaven: welke mogelijke programma’s en projecten kunnen nu of in de toekomst bijdragen aan het invullen van de opgaven? De gebiedsagenda’s zijn in de bestuurlijke overleggen MIRT vastgesteld en vormen sindsdien de onderlegger én de visvijver voor deze overleggen. De gebiedsagenda’s zelf zijn geen besluit om programma’s of projecten tot uitvoering te brengen.

Met de SVIR is het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid van het Rijk geherformuleerd en gedecentraliseerd. In de SVIR zijn opgaven van nationaal belang scherper benoemd en zijn keuzes gemaakt. Dit zal eind 2013 een doorwerking krijgen in een actualisatie van de gebiedsagenda’s.

De centrale rol van de (geactualiseerde) gebiedsagenda’s in het MIRT wordt versterkt door ze tevens in te zetten als inhoudelijk kompas bij het prioriteren van opgaven en projecten, inclusief de rolverdeling tussen Rijk en regio’s.

MIRT Onderzoek

Een MIRT Onderzoek heeft betrekking op opgaven en/of ontwikkelingen die spelen in het ruimtelijk domein en die van rijksbelang zijn of mogelijk rijksbetrokkenheid vereisen. Er worden twee typen MIRT Onderzoeken onderscheiden. Het eerste type onderzoek is gericht op ruimtelijke opgaven en/of ontwikkelrichtingen op de middellange of lange termijn die mogelijk rijksbetrokkenheid vereisen. Het andere type onderzoek heeft betrekking op het concretiseren van reeds lopende gebiedsontwikkelingsprojecten. Voor beide typen MIRT Onderzoek geldt dat de uitkomst leidt tot een aanscherping van de gebiedsagenda ten aanzien van de betreffende opgave of ontwikkelrichting. Ook kan de uitkomst aanleiding zijn om (bestuurlijke) afspraken tussen de verschillende betrokken partijen te maken met betrekking tot het vervolgproces, over een ruimtelijke reservering of over een aanpassing van sectorale wet- en regelgeving en normering. Rijk dan wel Rijk en regio samen beslissen of een MIRT Onderzoek nodig is. De afspraak om een MIRT Onderzoek te starten wordt gemaakt in het bestuurlijk overleg MIRT dan wel het Nationaal Bestuurlijk Overleg Deltaprogramma.

Spelregels van het MIRT

Het doel van de Spelregels van het MIRT is het beschrijven van de rollen en taken van partijen alsmede de besluitvormingsvereisten bij het Rijk om te komen tot een beslissing over een eventuele financiële rijksbijdrage. De spelregels schetsen het proces dat een MIRT opgave dan wel project/programma doorloopt van verkenning, planuitwerking tot en met realisatie, inclusief de bijbehorende beslismomenten. Er worden vier beslismomenten onderscheiden, te weten start-, voorkeurs-, project- en opleveringsbeslissing. Het doel hiervan is om te verantwoorden hoe de beslissing tot stand is gekomen, wat de beslissing inhoudelijk bevat en wat het eventuele vervolgtraject is. Per beslismoment dient te worden voldaan aan het bijbehorende informatieprofiel, waar wordt ingegaan op de opgave/probleemanalyse, oplossingsrichtingen, betrokken partijen, financiën, besluitvorming en aanpak vervolg.

De spelregels werken daarbij als een zeef. Er is, uitgezonderd de opleveringsbeslissing, geen automatische doorstroming van een project van de ene naar de volgende fase. Per fase wordt een expliciete beslissing genomen over het wel of niet (blijven) opnemen van het project in het MIRT. Hoe verder het project in de procedure komt, hoe concreter het project is. Vanaf de planuitwerkingsfase kan integrale gebiedsverkenning worden geknipt in verschillende (deel)projecten. Een gezamenlijke uitvoeringsstrategie moet er dan voor zorgen dat de samenhang op gebiedsniveau bewaakt wordt.

De spelregels gelden voor alle betrokkenen bij een (mogelijke) MIRT opgave dan wel project/programma in het ruimtelijk domein. Dit geldt voor projecten/programma’s van IenM voor het hele proces (verkenning, planuitwerking en realisatie). Bij de gebiedsgerichte verkenning worden ook de domeinen van EZ en BZK meegenomen. De trekker is verantwoordelijk voor de correcte toepassing van de spelregels. Zowel het Rijk als een decentrale overheid kan trekker zijn.

In 2011 zijn de spelregels geactualiseerd (TK 33000 A, nr 20, bijlage 2). Het betreft een eenduidiger gebruik van terminologie, de verdere ‘vernatting’ in het kader van het Deltaprogramma, het integreren van de Sneller&Beter werkwijze en de wijziging van de Tracéwet. Daarnaast wordt er een slag gemaakt met de vernieuwing van het MIRT, zowel qua inhoud, in te zetten (beleids-)instrumenten als betrokken partijen.

MIRT Projectenboek

Het MIRT Projectenboek wordt jaarlijks als bijstuk bij de begroting van het Infrastructuur- en Deltafonds aangeboden aan de Tweede Kamer. Met het boek wordt inzicht gegeven in de achtergrond van ruimtelijke rijksprojecten en -programma’s, de stand van zaken en de planning. Hierdoor is het bruikbaar als naslagwerk voor de status en de voortgang van deze opgaven, projecten en programma’s. In het MIRT Projectenboek worden investeringsprojecten- en programma’s opgenomen waar sprake is van een ruimtelijke ingreep en waar het Rijk direct financieel bij betrokken is. Dit kan (gedeeltelijke) financiering en aanleg betreffen, maar ook subsidiëring van projecten van decentrale overheden.

Toelichting op de projectbladen

Zoals aangegeven, kiest het kabinet ervoor om in het MIRT (Projectenboek) investeringsprojecten en -programma’s op te nemen waar sprake is van een ruimtelijk fysieke ingreep en waarbij het Rijk direct financieel betrokken is. Dit betekent dat investeringen en financiële stromen waar het Rijk niet direct bij betrokken is, zoals bijvoorbeeld specifieke en gebundelde (doel)uitkeringen, niet opgenomen worden. Wel zijn enkele specifieke subsidieprogramma’s opgenomen.

Per gebied zijn de projecten en programma’s opgenomen in de numerieke volgorde van de Rijksbegroting; eerst Infrastructuur en Milieu (hoofdstukken XII, A en J) en daarna Economische Zaken (hoofdstuk XIII). De projecten die gefinancierd zijn uit het Infrastructuurfonds (hoofdstuk A) en het Deltafonds (hoofdstuk J) zijn verder geordend per modaliteit. Voor de volledigheid zijn voor water ook de projecten van waterkwaliteit (gefinancierd uit HXII) opgenomen. Eerst volgt water (waterveiligheid, zoetwatervoorziening en waterkwaliteit), daarna hoofdwegen, spoorwegen, regionale/lokale infrastructuur en hoofdvaarwegen. Per project of programma wordt in aanvulling op de departementale begrotingen meer specifieke beleids- en projectinformatie gegeven. Per artikel is daarnaast voor de leesbaarheid de fase van besluitvorming inzichtelijk gemaakt. Een verkenning heeft een gele kleur, de planuitwerking een groene, de realisatie een rode en het beheer, onderhoud en vervanging een blauwe kleur. Een enkel projectblad betreft een programma. Een programma bestaat uit projecten die soms in twee verschillende fasen zitten: planuitwerking en realisatie. Indien dit het geval is dan wordt de gecombineerde fase ‘Planuitwerking/realisatie’ gehanteerd. De kleur van het blad wordt bepaald door het zwaartepunt van de programmabegroting. Als het merendeel van de financiën in de planuitwerking zit, is het groen, anders rood. Als voorbeeld het projectblad PHS: met gecombineerde fase ‘Planuitwerking/ realisatie’. Het projectblad is groen omdat het grootste gedeelte van het programmabudget in projecten zit die zich in de planuitwerkingsfase bevinden.

Opgave

Beschrijving van de opgave; dit kan zowel een knelpunt/probleem als een kans zijn.

Oplossing

De gekozen oplossing of (mogelijke) oplossingen/onderzoeks-varianten voor het aangegeven knelpunt/probleem, of de wijze waarop de kans benut wordt.

Inpassing

Eventuele grootschalige inpassingsmaatregelen.

Planning

De planning van het project/programma, met aandacht voor de start van de realisatie en de openstelling/oplevering. Bij verkenningen wordt de planning van de verkenning weergegeven. Er is ook specifieke aandacht voor het tracé- of projectbesluit. Bij brief van 13 februari 2013 (TK 33400-A, nr 49) is aangegeven dat bij de getemporiseerde projecten van Wegen/Vaarwegen een bandbreedte wordt gehanteerd voor openstelling/oplevering. Het MIRT Projectenboek neemt voor deze projecten ook een bandbreedte op. Voornemen is om het principe van bandbreedtes uit te breiden naar alle projecten in de verkenning- en planuitwerkingfase op het Infrastructuurfonds en het Deltafonds.

Financiën

Het (taakstellende) budget of de (taakstellende) rijksbijdrage. Als dat niet mogelijk is, wordt eventueel een reservering van rijksmiddelen of een raming van de (project)kosten gegeven. De prijsbijstelling tranche 2013 is voor 2013 volledig en vanaf 2014 gedeeltelijk ingehouden. Ten tijde van het opstellen van de begroting/het MIRT Projectenboek had het kabinet nog geen besluit genomen over het al dan niet uitkeren van het resterende deel van de tranche 2013 van de prijsbijstelling. Wel is het programma volledig op prijspeil 2013 gebracht. De opgenomen budgetten zijn dus – tenzij expliciet anders vermeld – prijspeil 2013 inclusief BTW. Waar relevant wordt bij budgetten aangegeven met hoeveel tolopbrengsten rekening wordt gehouden. Beheer- en onderhoudskosten maken geen deel uit van het gepresenteerde taakstellend budget voor realisatie- en planuitwerkingsprojecten, tenzij expliciet anders vermeld. Als het van toepassing is, wordt ook de bijdrage van andere, decentrale, overheden vermeld. Tot slot is, waar dit aan de orde is, op project-niveau zichtbaar gemaakt waar taakstellingen uit het Regeerakkoord worden doorgevoerd en wat de omvang hiervan is.

Politiek/bestuurlijk

Betreft of gaat in op de politiek/bestuurlijke afspraken tussen de ministeries van IenM en EZ (of hun voorgangers), de Tweede Kamer, decentrale overheden en/of andere partijen.

Uitvoering

De wijze waarop de uitvoering ter hand genomen wordt. Daar waar relevant wordt tevens aangegeven wie verantwoordelijk is voor het project en/of de uitvoering daarvan. Hier wordt indien van toepassing ook beschreven hoe de ‘markt’ betrokken wordt/is bij de projectontwikkeling. De twee belangrijkste instrumenten bij de betrokkenheid van de markt zijn de marktscan en de PPC (Public Private Comparator). De marktscan wordt gebruikt in de verkenningsfase om te bekijken bij welk alternatief samenwerking met de markt de grootste meerwaarde heeft. In de planuitwerkingsfase wordt op het voorkeursalternatief de PPC uitgevoerd. Uit de PPC blijkt of samenwerking tussen overheid en markt meerwaarde heeft ten opzichte van het zelf uitvoeren van een project door de overheid. Voor IenM-projecten wordt de PPC uitgevoerd als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de projectkosten bedragen meer dan €60 mln
  • het project is na 2005 overgegaan naar de planuitwerkingsfase
  • Rijkswaterstaat/ProRail verantwoordelijk voor de uitvoering
  • het is geen Beheer- en Onderhoudproject.
Op basis van de uitkomst van de PPC wordt bepaald of een vorm van publiek private samenwerking (PPS) meerwaarde heeft. Dan wordt voorgesorteerd op een bepaalde contractvorm (DBFM (Design, Build, Finance and Maintain) DBM of DB).

File Top 50

Wanneer een wegenproject een bijdrage levert aan het verminderen of oplossen van een File Top 50 knelpunt, wordt dit aangegeven op het projectblad.

Projecthistorie en toelichting op de wijzigingen

Toelichting op de wijzigingen met betrekking tot bovengenoemde punten die zich tussen het uitkomen van het vorige en het huidige MIRT Projectenboek – dus in de periode september 2012 tot en met augustus 2013 – hebben voorgedaan. Omdat het MIRT Projectenboek als bijlage bij de Rijksbegroting het jaartal van die begroting draagt, worden de wijzigingen in dit projectenboek ten opzichte van het vorige projectenboek vermeld onder 2014. In ieder geval worden opgenomen wijzigingen in de financiën (zowel kostenstijgingen als -dalingen) toegelicht indien de wijziging meer dan 10% is ten opzichte van de vorige begroting. Daarbij wordt aangegeven bij welk moment in de begrotingscyclus die wijziging heeft plaatsgevonden terwijl in de financiële tabellen de kolom ‘vorig budget’ is geschrapt. Hiermee is de aansluiting tussen het MIRT Projectenboek en de (suppletoire) begrotingen verbeterd. Wijzigingen in het tijdschema worden in elk geval opgenomen als er sprake is van een versnelling of vertraging van het project met meer dan 1 jaar ten opzichte van de vorige begroting.

MIRT Projectenboek 2014

Hoofdmenu

Servicemenu