1. Home
  2.   MIRT 2014
  3.   9 Financiële uitwerking
  4. Dekkingsbronnen

Dekkingsbronnen

Dekkingsbronnen

Voor uitgaven in het ruimtelijk domein zijn diverse dekkingsbronnen. Allereerst de reguliere begrotingsmiddelen, die gevoed worden door de belastingontvangsten. Daarnaast zijn er middelen beschikbaar uit bijdragen van derden en de Europese Fondsen. Ook kunnen maatregelen worden genomen waarbij (extra) middelen worden gegenereerd. Al deze bronnen worden hieronder toegelicht. De diverse middelen worden op basis van politieke keuzes verdeeld over de diverse begrotingen.

Reguliere begrotingsmiddelen

Het grootste deel van de middelen voor de uitvoering van het MIRT komt uit algemene middelen. Het Infrastructuurfonds en het Deltafonds worden gevoed via Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting.

Bijdragen van derden

Mede- en cofinanciering

De grootste bijdragen van derden betreffen de bijdragen van decentrale overheden aan ruimtelijke projecten. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheden om te zorgen voor een goede ruimtelijke inpassing van MIRT-projecten. Bij hoofdinfrastructuur die volledig door het Rijk wordt bekostigd, betaalt het Rijk in beginsel enkel de kosten van inpassingen die rechtstreeks voortvloeien uit de wettelijke eisen. Cofinanciering door het Rijk voor additionele inpassingmaatregelen kan aan de orde zijn indien een dergelijke aanvullende investering maatschappelijk rendabel is. Tevens moet er dan voldaan worden aan de beslismomenten van de Spelregels van het MIRT. Op de project-bladen is bij de relevante projecten aangegeven wat de bijdrage van decentrale overheden (en/of bedrijven) is of wordt.

Europese fondsen

Nederland kan in de periode 2014-2020 een beroep doen op de Connecting Europe Facility van de Europese Unie (EU) met daarin middelen voor de cofinanciering van de realisatie van het Trans-Europese Vervoersnetwerk (TEN-T). Dit programma heeft als doel binnen de EU tot één hoogwaardig, multimodaal en geïntegreerd vervoersnetwerk te komen in de EU, met het oog op doelstellingen op het gebied van concurrentiekracht en duurzaamheid in de EU 2020 Strategie. Verwacht wordt dat voor TEN-T ca. € 13 mld EU-breed beschikbaar zal zijn in de genoemde periode. De middelen worden ingezet op het zogeheten kernnetwerk, met 9 grote, multimodale corridors, waarbij de meeste aandacht zal uitgaan naar kritische grensoverschrijdende trajecten, belangrijke bottlenecks en innovatie en interoperabiliteit, in het bijzonder door toepassing van het Europese treinbeveiligingssysteem ERTMS en Intelligent Transport Systems in het wegvervoer. Drie corridors lopen door Nederland. Diverse MIRT investeringen op die corridors staan op een Europese shortlist van reeds geïdentificeerde projecten, zoals de Zeetoegang IJmond. In de afgelopen periode heeft Nederland gemiddeld 5-6 % van de TEN-T middelen kunnen benutten, hetgeen in de nieuwe periode overeen zou komen met circa € 100 mln per jaar. Eind 2012 startte overigens een subsidieronde onder de huidige TEN-T regeling die tot en met 2013 loopt. Hiervoor konden subsidieverzoeken in februari en maart 2013 worden ingediend. Er is voor meer dan 20 projecten van Nederlandse aanvragers (of met Nederlandse betrokkenheid) om een Europese bijdrage gevraagd. Naar verwachting wordt medio 2013 bekend welke aanvragen gehonoreerd worden.

Maatregelen met budgettaire effecten

De overheid kan maatregelen nemen waarbij (extra) middelen worden gegenereerd die eventueel voor uitgaven in het ruimtelijk fysieke domein kunnen worden ingezet. Deze maatregelen zijn veelal bedoeld om de financiering van infrastructuurprojecten sluitend te krijgen. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zijn de volgende maatregelen met de daarbij behorende budgettaire effecten opgenomen: tol, cofinanciering en publiek private samenwerking (PPS).

Tol

De gereserveerde budgetten in het Infrastructuurfonds (IF) zijn niet toereikend om de projecten A13/A16, ViA15 en Blankenburg-verbinding volledig publiek te financieren. Voornemen is de financiering rond te krijgen middels tolheffing bij de betreffende projecten. Deze tolontvangsten worden pas gerealiseerd na openstelling van de betreffende wegen. Voorts is het de bedoeling deze wegen als DBFM-contracten (Design, Build, Finance and Maintain) aan te besteden. Kenmerkend daarbij is dat de langjarige verplichtingen- en uitgavenreeksen (de zogenaamde beschikbaarheidsvergoedingen) ook na realisatie worden geraamd. Dit maakt het mogelijk om deze uitgaven direct te financieren uit de jaarlijkse tol die een tolweg opbrengt.

In het MIRT Projectenboek wordt de langjarige tolreeks bij de drie projecten gepresenteerd in termen van contante waarde (oftewel de waarde op dit moment van bedragen die pas in de toekomst beschikbaar komen op de IF-begroting).

Het ramen van tolontvangsten is met veel onzekerheden omgeven. Uit behoedzaamheid worden de tolontvangsten pas ingezet als daadwerkelijke dekking ná Financial Close van een DBFM-contract. Bovendien heeft het kabinet bepaald dat in het MIRT een reservering bij de drie genoemde projecten wordt getroffen gedurende de aanlegperiode van € 300 mln, zodat bij een mislukte DBFM-aanbesteding een meer klassieke aanbesteding mogelijk blijft (waarbij nog steeds uitgegaan wordt van dezelfde tolopbrengsten) zonder dat daarvoor herprioritering nodig is.

Voorfinanciering

De projecten in het MIRT moeten binnen de budgettaire kaders ingepast worden. Via het MIRT wordt daarom in overleg met de regio’s een prioritering in de projecten aangebracht. Toch kan het zo zijn dat een regio wenst om een project versneld uit te voeren ten opzichte van de MIRT-budgettering. Het kabinet stelt een aantal voorwaarden voor versnelling.

In de eerste plaats dat de partij die wenst te versnellen ook de extra kosten van de benodigde voorfinanciering draagt. Er kan pas sprake zijn van voorfinanciering als de bekostiging van het project volledig rond is en vastgelegd is in bestuurlijke afspraken.

Ook kan een versnelling het EMU-saldo in de jaren van de versnelde realisatie niet additioneel belasten. In beginsel dient om een project te kunnen versnellen een ander project van dezelfde omvang in dezelfde jaren vertraagd te worden. Indien hier geen ruimte toe is, kan een PPS/DBFM contract een oplossing zijn om te versnellen zonder daarbij het EMU-saldo extra te belasten in de jaren dat het project versneld uitgevoerd wordt. Een kenmerk van PPS/DBFM is namelijk dat een private partij de investering tijdelijk voor haar rekening neemt en voldoende risico’s overneemt. Voorts betaalt de overheid de private partij niet in de jaren van aanleg maar pas na oplevering.

Publiek Private Samenwerking (PPS)

Een laatste maatregel is het doelmatiger (en mogelijk meer innovatief ) aanbesteden en toepassen van PPS. Met deze maatregel wordt bovenal beoogd efficiencywinst te behalen door het gebruik van bepaalde contractvormen (zoals DBFM). Ook op andere terreinen waar private financiering voordelen heeft voor de prijs, kwaliteit of benodigde tijd wordt actief gezocht naar de mogelijkheden om PPS in te zetten en deze waar dat zinvol is te benutten. Indien PPS van toepassing is, zal informatie over de betrokkenheid van de markt op de projectbladen opgenomen worden. Het vorige kabinet heeft in het kader van de rijksbrede bezuinigingen een taakstelling uit hoofde van PPS efficiencywinst op het Infrastructuur- en Deltafonds gelegd. De toedeling naar concrete projecten kan op de MIRT bladen gevonden worden. Verder wordt ernaar gestreefd extra middelen te genereren en/of een hogere kwaliteit van een project te realiseren door de opbrengsten van gebiedsontwikkeling voor de financiering van nieuwe projecten te gebruiken. De nadruk ligt de komende jaren met name op het creëren van een andere manier van samenwerken tussen markt en overheid. Risicoverdeling neemt hierbij een belangrijke plaats in. Een voorbeeld van een nieuwe samenwerking is de pilot die uitgevoerd wordt bij het privaat gefinancierde project N33 Assen (zuid)-Zuidbroek. Dit is het eerste project in Nederland waarbij het vreemd vermogen voor het PPS consortium door een pensioenfonds wordt verschaft.

MIRT Projectenboek 2014

Hoofdmenu

Servicemenu