1. Home
  2.   MIRT 2014
  3.   1 Nationaal
  4. Actueel beleid van het Rijk in het ruimtelijk domein

Actueel beleid van het Rijk in het ruimtelijk domein

Actueel beleid van het Rijk in het ruimtelijk domein

Het Rijk werkt aan integrale oplossingen voor de uitdagingen waar Nederland voor staat op het gebied van waterveiligheid, ruimtelijke inrichting en bereikbaarheid. In het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) zijn de projecten en programma’s opgenomen die nodig zijn om dit te bereiken. In dit hoofdstuk vindt u een schets op hoofdlijnen van de actuele beleidscontext waarin dit plaatsvindt. Op de volgende pagina staat de nationale opgavenkaart. Deze kaart is een compilatie van de opgavenkaarten van de zeven MIRT-gebieden. Omwille van de leesbaarheid zijn niet alle categorieën van de gebiedskaarten aangeduid in de nationale kaart.

Nieuwe ontwikkelingen laten hun sporen na in het karakter van de opgaven. Decennialang betekende de groei van bevolking en economie vooral een kwantitatieve verstedelijkingsopgave en investeringen in het landelijke infrastructuurnetwerk. Nederland kent steeds meer een regionaal gedifferentieerd beeld van groei, stagnatie en krimp. Dat leidt tot een even gedifferentieerd patroon van kwantitatieve en kwalitatieve ruimtelijke bereikbaarheid- en leefbaarheidsopgaven. Versterking en verduurzaming van de economie zijn daarnaast meer centraal komen te staan.

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De ambities voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, met 2040 als horizon, zijn in 2012 vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Deze visie is het kader dat de ruimtelijke, water- en mobiliteitsopgaven voor Nederland benoemt. Er zijn dertien nationale belangen benoemd waar het Rijk verantwoordelijk voor is en waar het resultaat wil boeken.

De hoofddoelen voor de middellange termijn (2020/2028) zijn: 

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur. 
  • Het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid,waarbij de gebruiker voorop staat. 
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

In het kader van het eerste hoofddoel zijn onder meer 9 topsectoren benoemd waaraan het Kabinet prioriteit geeft. Deze zijn via het SVIR-kader gekoppeld aan ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Omdat de topsectoren geconcentreerd zijn in de stedelijke regio’s rond de mainports, brainport en greenports, wordt extra ingezet op het versterken van de ruimtelijk-economische structuur in deze regio’s en de belangrijke achterlandverbindingen.

Het laatste hoofddoel omvat ook de wateropgaven, waarvoor het Nationaal Waterplan en het Bestuursakkoord Water de beleidskaders nader aangeven. Het gaat om bescherming tegen overstromingen, het veilig stellen van de zoetwatervoorziening (zie ook het Deltaprogramma, p.21) en het bereiken van een goede waterkwaliteit. Over de voortgang hiervan wordt jaarlijks in Water in beeld gerapporteerd aan de Tweede Kamer.

Financieel kader

Aansluitend bij de SVIR-doelen past rijksbetrokkenheid bij het investeren in projecten die de bereikbaarheid verbeteren, het vestigingsklimaat versterken en de leefbaarheid vergroten. Deze doelstellingen moeten worden gerealiseerd met minder middelen. De budgetten voor investeringen krimpen. Binnen de resterende financiële ruimte heeft het Rijk de ambitie om het maximale te doen om de doelen te bereiken. Daarom moeten middelen daar worden ingezet waar deze het grootste rendement opleveren. Dit betekent dat prioriteiten scherp moeten worden gesteld en dat goede samenwerking met medeoverheden en bedrijfsleven van groot belang is.

Bij brief van 13 februari 2013 (TK 33400-A, nr 48) hebben de minister en staatssecretaris van IenM de Tweede Kamer geïnformeerd over de wijze waarop de bezuinigingen op het Infrastructuurfonds op grond van het Begrotingsakkoord en de aanvulling op het Regeerakkoord – totaal € 6,4 mld in de jaren 2014-2028 – worden ingevuld. Daarbij hebben zij ervoor gekozen om de budgetten van Beheer, Onderhoud en Vervanging en realisatieprojecten ongemoeid te laten en de bezuinigingen volgens de gangbare verdeelsleutel over de modaliteiten te verdelen: 51% wegen, 33% spoor, 8% regionaal/lokaal, 7% vaarwegen. Het grootste deel van het investeringsprogramma wordt wel doorgezet, maar voor een belangrijk deel gefaseerd. De gevolgen hiervan staan beschreven op de verschillende programma-/projectbladen.

Bij brief van 26 april 2013 (TK 33400-J, nr 19) heeft de minister van IenM de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de bezuinigingen op het Deltafonds. Door het Begrotingsakkoord moet er tot en met 2028 in totaal € 605 mln bezuinigd worden.

Gebiedsagenda’s en vernieuwing MIRT

Het MIRT heeft zich als investeringsprogramma van het Rijk in het ruimtelijk domein ontwikkeld tot een staande structuur van overleg en besluitvorming over concrete projecten en programma’s. De gebiedsagenda’s vormen daarbij de samenwerkingsagenda van het Rijk en de decentrale overheden en zijn een gemeenschappelijke basis voor de bestuurlijke overleggen MIRT die jaarlijks met de verschillende regio’s plaatsvinden. Momenteel vindt de actualisatie van de gebiedsagenda’s plaats. Deze actualisatie zal voor het einde van 2013 grotendeels zijn afgerond. In 2014 wordt samen met de regio’s de uitwerking ter hand genomen. Centraal staat daarbij het bedenken van zogenaamde adaptieve maatregelen: maatregelen die, ook qua fasering, zoveel mogelijk meebewegen met de dan geldende maatschappelijke wensen en ontwikkelingen. De ambities zoals vastgelegd in de SVIR moeten onder gewijzigde omstandigheden worden bereikt. De economische crisis en de hierdoor noodzakelijke bezuinigingen dwingen, samen met zich wijzigende trends, tot een nieuwe manier van werken.

Onder de vlag van vernieuwing van het MIRT wordt daarom gewerkt aan: 

  • een bredere definitie van de opgaven zodat ook een ander type oplossingen mogelijk wordt, 
  • het betrekken en samenwerken met nieuwe partners en 
  • het inbouwen van flexibiliteit zodat besluiten goed aansluiten bij veranderingen in de maatschappij. 

In 2014 wordt een eerste beeld gegeven van de vernieuwing van het MIRT en wordt een eerste set afspraken gemaakt met nieuwe partijen. Ook zullen enkele breder opgezette MIRT Onderzoeken worden afgerond, waarin bereikbaarheid, economie en leefomgeving in samenhang worden beschouwd. Deze onderzoeken hebben bijgevolg mogelijk een ander type uitkomst, waarbij niet alleen wordt gekeken naar de aanleg van nieuwe infrastructuur. Daarmee komt de vernieuwing van het MIRT tot uitdrukking in de bereikbaarheidsagenda die in goede samenspraak met decentrale overheden wordt opgesteld. De investeringsruimte van het Rijk is beperkt en de bereikbaarheidsopgaven veranderen van karakter. Deze betreffen steeds vaker uitdagingen in hoogstedelijke gebieden waar de ruimte voor grootschalige uitbreiding van infrastructuur ontbreekt. Dit betekent dat IenM de beschikbare middelen daar moet investeren waar deze het grootste rendement opleveren, maar ook dat andere, slimme manieren moeten worden gevonden om de bereikbaarheid te vergroten, zowel voor personen- als voor goederenvervoer. De resultaten van het programma Beter Benutten (zie p. 22) tonen aan dat andere oplossingen mogelijk zijn. De concrete maatregelen die naar aanleiding van deze bredere, meer innovatieve benadering kunnen worden genomen, landen uiteindelijk in de uitvoeringsparagraaf van de Gebiedsagenda’s. De minister en staatssecretaris van IenM zullen de stand van zaken rond de vernieuwing van het MIRT-proces na de bestuurlijke overleggen MIRT in het najaar van 2013 aan de Tweede Kamer aanbieden.

In het navolgende zijn de relevante beleidsontwikkelingen gerubriceerd naar de domeinen ruimte en water, bereikbaarheid, economie en energie, en milieu en natuur.

Ruimte en Water

Omgevingswet

Het kabinet werkt aan eenvoudiger regels door onder meer de vereenvoudiging van het omgevingsrecht. Het kabinet wil 15 bestaande wetten (bijvoorbeeld de Waterwet, de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zie voor laatstgenoemde ook p. 25) geheel of grotendeels laten opgaan in de Omgevingswet. Van nog eens 8 wetten zijn de gebiedsgerichte onderdelen bij elkaar gebracht. Zeker 10 andere wetten kunnen bij volgende wetswijzigingen integreren in de Omgevingswet.

De Omgevingswet komt niet alleen voort uit de behoefte aan een eenvoudiger en doelmatiger omgevingsrecht. Ook de groeiende samenhang tussen verschillende projecten en activiteiten, de transitie naar een duurzame ontwikkeling (bijvoorbeeld bij locaties voor windparken) en de groeiende verschillen tussen regio’s (bij sommigen groei, bij anderen krimp) vormen de aanleiding voor herziening van het omgevingsrecht. Het kabinet zal het wetsvoorsstel voor de Omgevingswet naar verwachting begin 2014 voor behandeling aan de Tweede Kamer aanbieden.

Gebiedsontwikkeling Nieuwe Stijl

Binnen dit programma wordt gezocht naar nieuwe manieren om gebiedsontwikkelingen van de grond te krijgen. We zien dat steeds meer grootschalige, complexe plannen ingeruild zijn voor een meer organische aanpak: kleinschalige, gefaseerde ontwikkelingen, regelmatig met initiatieven van burgers en bedrijven als centrale spil. Gewerkt wordt vanuit de vraag van de eindgebruikers, duurzaamheiddoelstellingen spelen een steeds grotere rol en ontwikkelingen gaan vaak over transformatie of vernieuwing van het bestaande, in plaats van nieuwbouw.

In de context van bezuinigingen en een energieke samenleving krijgen overheden een andere, faciliterende rol. IenM ondersteunt gebiedsontwikkeling via het stimuleren van goed opdrachtgever-schap (o.a. ‘de Rijksprijs van de Gouden Piramide’), meedenken in concrete projecten, kennisuitwisseling via o.m. Platform 31 en het verankeren van publiek kostenverhaal in de Omgevingswet.

Rijksvastgoed

Rijksbreed wordt gewerkt aan een rijksvastgoedportefeuillestrategie. Een van de doelen is om zo vroeg mogelijk in de beleidscyclus een verband tussen rijksdoelen en vastgoed te leggen. Zo worden doelen beter met elkaar verbonden en ontstaat inzicht in de effecten van bepaalde keuzes. Eind 2012 zijn zogenoemde matchingsessies gehouden, waarbij op basis van de gebiedsagenda’s 30 succesvolle matches tussen rijksvastgoed en beleidsdoelen zijn gemaakt. Deze zijn in de eerste maanden van 2013 verder uitgewerkt. In april is besloten dat IenM samen met de regio de meest kansrijke beleidsvastgoedcombinaties verder gaat uitwerken.

Decentraal, tenzij

‘Zo dicht mogelijk bij de burger’ is het uitgangspunt van de SVIR. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschappen worden daarom aan de provincies overgelaten. De provincie fungeert daarbij als gebiedsregisseur. De gemeente draagt zorg voor een veilige en leefbare woon- en werkomgeving. (Samenwerkende) Gemeenten zorgen voor de (boven)lokale afstemming van woningbouwprogrammering – binnen de provinciale kaders – en de uitvoering. Bij de nieuwe rolverdeling is vertrouwen de basis.

Verstedelijking

De opgave voor wonen is om te voorzien in voldoende woningen, van de gevraagde kwaliteit, in de gevraagde woonmilieus. Het Rijk benoemt hiertoe doelstellingen. Daarbij wordt meer ruimte geboden voor kleinschalige natuurlijke groei, het voorzien in de eigen woningbehoefte en (collectief ) particulier opdrachtgeverschap. Vraaggericht programmeren en realiseren door provincies, gemeenten, corporaties en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en om krimpregio’s leefbaar te houden. In regio’s met een gespannen, zeer ontspannen of complexe woningmarkt ondersteunt het Rijk de betreffende gemeenten en provincies actief door middel van kennis, experimenten, het uitwerken van nieuwe verdienmodellen en het aanpassen dan wel wegnemen van belemmerende regelgeving. In de Noord- en Zuidvleugel maakt het Rijk afspraken met provincies en gemeenten over de programmering van verstedelijking.

Decentralisatie van middelen en projecten

Decentralisatie van beleid gaat gepaard met decentralisatie van middelen en projecten. Dit geldt ook voor het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) en middelen voor realisatie van EHS. Decentralisatie betekent dat verantwoordelijkheid over enkele ruimtelijke projecten naar provincies zal verschuiven. Projecten in het kader van Nota Ruimte, BIRK en – voor zover sprake is van subsidies aan gemeenten en/of provincies – Sterke Regio’s worden waar mogelijk gedecentraliseerd naar provincies en gemeenten, conform bijlage bij de brief ‘Prioritering investeringen mobiliteit en water’ (TK 32500-A nr 83). Bij een aantal projecten wordt het moment van decentralisatie nog nader bepaald. Deze projecten zijn nog als projectblad in dit boek opgenomen. De hiernaast staande tabel geeft een overzicht van de gedecentraliseerde projecten van ILG (inclusief EHS) en Nota Ruimte in de periode december 2012-september 2013, met het te decentraliseren bedrag. Deze projecten vindt u niet meer terug in het MIRT Projectenboek omdat er geen directe rijksfinanciering meer is.

Deltaprogramma

Het Deltaprogramma werkt aan de bescherming van ons land tegen hoog water en aan het op orde houden van de zoetwatervoorziening. Het bestaat enerzijds uit programma’s die al worden uitgevoerd en anderzijds uit 9 deelprogramma’s die gericht zijn op de langere termijn (tot 2100).

De uitvoeringsprogramma’s zijn: het tweede Hoogwater-beschermingsprogramma (HWBP2), Ruimte voor de Rivier en Maaswerken. Daarnaast zijn er projecten in voorbereiding zoals het nieuwe Hoogwaterbeschermingsprogramma (nHWBP), Afsluitdijk, Ooijen-Wanssum en rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer.

De deelprogramma’s zijn: Veiligheid, Zoetwater, Nieuwbouw en Herstructurering, Kust, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rijnmond-Drechtsteden, Zuidwestelijke Delta en Rivieren. In deze deelprogramma’s wordt – veelal in de vorm van een MIRT Onderzoek – toegewerkt naar zogenoemde deltabeslissingen en maatregelenpakketten die op termijn nodig zijn om de opgaven integraal aan te pakken.

Jaarlijks wordt, tegelijk met de rijksbegroting, in het Delta-programma over de voortgang van de werkzaamheden gerapporteerd. Tot 2015 ligt de nadruk in het Deltaprogramma, naast de lopende uitvoeringsprogramma’s en projecten, op het voor¬bereiden van de deltabeslissingen. Er worden kansrijke strategieën uitgewerkt en op basis hiervan voorstellen gedaan aan de minister die bepalend zijn voor de toekomst van de delta.

Noordzee

Het advies volgend van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) om te komen tot een ontwikkelplan voor de Noordzee, werken de ministeries van IenM, EZ, Defensie en OCW in 2013 en 2014 aan een gebiedsagenda voor de Noordzee. Deze agenda geeft invulling aan de strategische opgave om vanuit maatschappelijk nut naar de zee te kijken; niet als uitwijklocatie voor het land, maar als ontwikkelgebied met een eigen maatschappelijk belang. Samen met stakeholders, kennisinstellingen en overheden wordt gewerkt aan voorstellen voor duurzame ontwikkeling, innovatie, meervoudig ruimtegebruik en nieuwe vormen van energieopwekking en voedselvoorziening.

Bereikbaarheid

Beter Benutten

Het huidige programma Beter Benutten beoogt een reductie van de files met 20% op specifieke corridors in de drukste gebieden van het land. De inspanning van de overheid en het bedrijfsleven is gericht op gezamenlijke afspraken ter vermindering van de spitsdruk. Er wordt samengewerkt aan de uitvoering van regionale maatwerk-pakketten met onder meer gedragsbeïnvloeding, aanleg van spitsstroken en voorzieningen om aansluitingen te verbeteren tussen hoofd- en onderliggende wegen, tussen weg en OV en binnen het OV. Zie ook het betreffende projectblad.

Na 2014 wordt het programma Beter Benutten voortgezet. Hiervoor worden samen met medeoverheden en private partijen de kaders, randvoorwaarden en ambities opgesteld.

Lange Termijn Spooragenda (LTSA)

Mede naar aanleiding van het parlementaire onderzoek van de Tijdelijke commissie onderhoud en innovatie spoor (Commissie Kuiken) zijn in februari 2013 de visie, ambities en de daaraan verbonden doelen voor het spoor gepresenteerd in de LTSA. Hoofddoel voor het spoorsysteem is de kwaliteit van het spoor als vervoerproduct te verbeteren, zodat de reiziger en verlader de trein in toenemende mate als een aantrekkelijke vervoersoptie zien en gebruiken. Dit wordt verder uitgesplitst in doelen als aantrekkelijk klantproduct en kwaliteit en capaciteit van het spoorsysteem. Deze worden in 2013, in samenwerking met de spoorsector, verder uitgewerkt.

NS en ProRail maken een operationeel spoorconcept, dat de basis vormt voor een meerjarige verbeteraanpak. IenM werkt aan een beleidsmatige uitwerking van spoorgoederenvervoer, regionaal spoorvervoer en de Europese spooragenda. Op basis van de LTSA-doelen wordt een afwegingskader/evaluatiemethode gemaakt waarmee projecten en programma’s herijkt worden en er komt een sturingsarrangement. Het ordeningsvraagstuk van de spoorsector is ook onderdeel van de uitwerking van de LTSA. Indien het traject hier aanleiding toe geeft, kunnen wijzigingen in de ordening voorgesteld worden.

De LTSA is uiteindelijk de kapstok voor de Vervoer- en Beheer-concessie aan NS en ProRail. In alle fasen en onderdelen van de LTSA worden naast NS en ProRail, de goederenvervoerders, regionale spoorvervoerders, decentrale overheden, consumenten-organisaties en andere belanghebbenden betrokken.

Treinbeveiliging - ERTMS

In het Regeerakkoord Rutte-II staat dat het nieuwe treinbesturings- en beveiligingssysteem ERTMS (European Rail Traffic Management System) vanaf 2016 gefaseerd wordt ingevoerd, hiervoor is € 2 mld gereserveerd. ERTMS biedt naar verwachting voordelen op gebieden als capaciteit, snelheid, interoperabiliteit, veiligheid en betrouwbaarheid. In februari 2013 is de startbeslissing genomen, via de Railmap versie 1.0. Deze beschrijft het nadere onderzoek in de verkenningsfase dat kansen en risico’s in kaart brengt, alsmede een kostenraming. In de voorbereidingsfase worden scenario’s uitgewerkt en wordt een voorkeursbeslissing genomen. Zie ook de betreffende projectbladen.

Landelijk Verbeterprogramma Overwegen (LVO)

Het kabinet komt met een verbeterprogramma om het aantal incidenten op overwegen te verminderen. Het LVO richt zich op het verbeteren van een veilige doorstroming van weg- en treinverkeer bij overwegen. In 2013 is een nulmeting uitgevoerd om veiligheids-risico’s en doorstromingsproblematiek in kaart te brengen. Vervolgens is een voorlopige selectie van aan te pakken overwegen bepaald. In overleg met decentrale overheden/wegbeheerders wordt de definitieve lijst bepaald. De eerste verkenningen starten in 2014. Uitgangspunten zijn 50/50-cofinanciering en kosteneffectieve en (waar mogelijk) innovatieve maatregelen. Hierbij komen ook generieke maatregelen in het vizier, waarmee verbetereffecten voor meerdere overwegen worden gerealiseerd. Zie ook het betreffende projectblad.

Tunnelstandaard in gegunde projecten

Met de vaststelling van de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels is de landelijke tunnelstandaard voor nieuwe tunnels voorgeschreven. Hiermee worden discussies over de vereiste installaties in tunnels voorkomen. In de standaard is ook de wisselwerking tussen de vereiste installaties uitgewerkt, waarmee vertragingen tijdens de realisatiefase worden voorkomen. Tegen € 198,5 mln aan meerkosten zijn de contracten van de reeds in realisatie zijnde projecten Tweede Coentunnel, N35 Combiplan Nijverdal en A2 Maastricht opengebroken, om de standaard waar mogelijk in te voeren. De kosten hiervan zijn hoger dan de verwachte max. € 150 mln. Met de standaard wordt echter ook verwacht dat in de toekomst uitstelkosten zoals bijvoorbeeld bij de Swalmentunnel van de A73 niet meer nodig zijn.

Economie en Energie

Topsectoren

Nederland moet een plek zijn waar ondernemingen groeien en vernieuwen, waar kennis stroomt en waar duurzame oplossingen worden ontwikkeld. Hiertoe moet er meer ruimte voor ondernemers komen, minder specifieke subsidies en meer lastenverlichting en ruimte voor een sectorale aanpak met vraagsturing vanuit het bedrijfsleven. Naast het generieke bedrijfslevenbeleid – dat zich richt op ondernemerschap, kennis en innovatie, goede randvoorwaarden, duurzaamheid, onderwijs en arbeidsmarkt en op het buitenland – heeft het kabinet in de Bedrijfslevenbrief ‘Krachtig naar de top’ bijzondere aandacht gegeven aan de topsectoren van de Nederlandse economie. Dit zijn de sectoren High Tech Systemen en Materialen, Energie, Water, Chemie, Creatieve Industrie, Tuinbouw en Uitgangsmaterialen, Logistiek, Agro & Food en Life Sciences & Health. In de bestuurlijke overleggen Topsectoren en regio wordt met de vijf landsdelen concreet besproken hoe de topsectorenaapak en het regionaal economisch beleid elkaar kunnen versterken.

Windenergie

De opwekking van elektriciteit met behulp van windturbines is een groeiende ruimtegebruiker in Nederland. Met het oog op het klimaat en de afnemende beschikbaarheid van fossiele brandstoffen is een overgang naar een duurzame energiehuishouding nodig. Volgens de Europese Richtlijn Hernieuwbare Energie dient Nederland in 2020 14% van de energieconsumptie uit duurzame, hernieuwbare bronnen te produceren. In het Regeerakkoord is de kabinetdoelstelling opgenomen van 16% in 2020. In 2011 bedroeg het aandeel hernieuwbare energie 4,3%. Windenergie op Land Windturbines op land en in zoet water moeten in 2020 gezamenlijk minimaal 6.000 megawatt (MW) aan opwekkingsvermogen hebben, te realiseren met grootschalige en kleinschalige windenergie. Ongeveer 5.000 MW aan nieuw vermogen wordt gebouwd; van de huidige 2.100 MW zal een deel worden gesaneerd of opgeschaald. Dit heeft een grote impact op delen van het Nederlandse landschap en de beleving ervan én biedt kansen voor economische ontwikkeling. Het kabinet werkt met alle bestuursniveaus samen om de benodigde ruimte voor windenergie te creëren. De Structuurvisie Windenergie op Land is een uitwerking van de SVIR, met een ruimtelijk plan voor de doorgroei van windenergie op het grond-gebied van Nederland (land en grote wateren, maar niet de Noordzee).

Windenergie op Zee

In het Nationaal Waterplan (NWP, 2010) zijn de gebieden Borssele en IJmuiden aangewezen voor de bouw van windparken. Daarnaast zijn twee zoekgebieden vastgelegd voor aanvullende ruimte: Hollandse Kust met ruimte voor 3.000 MW en ver uit de kust buiten de 12 mijlszone ten Noorden van de Waddeneilanden met minimaal 1.000 MW. Met de rijksstructuurvisie Windenergie op Zee wil het Rijk de keuzes voor laatstgenoemde gebieden vastleggen. Ook wordt in een haalbaarheidsstudie onderzocht of binnen de 12-mijlszone gebieden zijn waar ruimte is voor windenergie en die qua kosten en aansluiting op het elektriciteitsnet op het land voldoende mogelijkheden bieden. Bij de keuze voor nieuwe locaties kijkt het Rijk naar de beste (ook uit ecologisch oogpunt) en meest rendabele manier om de beschikbare ruimte te benutten, zowel dichter bij de kust als verder op zee.

Milieu en Natuur

Herijking Ecologische Hoofdstructuur (EHS)

Met het Bestuursakkoord Natuur zijn afspraken gemaakt over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk en provincies. De uitvoering van het natuurbeleid valt onder de verantwoordelijkheid van de provincies. Dit geldt ook voor de herijking van de EHS, dit is opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, augustus 2011).

In het Regeerakkoord ‘Bruggen Slaan’ (oktober 2012) zijn de afspraken uit het Bestuursakkoord Natuur gehandhaafd en zijn de kaders gesteld voor een ‘plus’ bovenop deze afspraken. Inzet is een robuuste EHS waarbij de internationale doelen leidend zijn.

Verlengen NSL

Op 1 augustus 2014 loopt het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) formeel ten einde. De uitkomsten van het eerste volledige meetjaar (2015) zijn medio 2016 bekend. Dan is pas duidelijk of overal in Nederland aan de grenswaarden wordt voldaan. Daarom wordt het NSL verlengd tot ten minste 1 januari 2017, met als doel blijvend aan de Europese grenswaarden te voldoen. De systematiek wordt gecontinueerd, dit betreft o.a. programmatoetsing bij onderbouwing van projecten, monitoring van voortgang en melding van nieuwe danwel gewijzigde maatregelen en projecten. Hierdoor blijft het NSL de grondslag voor de onderbouwing van wegenprojecten. Begin 2014 wordt een kabinetsbesluit tot verlengen van het NSL bij de Tweede Kamer ingediend.

MIRT Projectenboek 2014

Hoofdmenu

Servicemenu