1. Home
  2.   MIRT 2014
  3.   7 Oost-Nederland
  4. Hoofdopgaven

Hoofdopgaven

Versterking van het vestiging- en productiemilieu in relatie tot de topsectoren

Voor de verdere ontwikkeling van de economische kracht van Oost-Nederland is versterking van het vestigingsklimaat van de economische kerngebieden belangrijk. Bereikbaarheid, het bieden van een attractief woonmilieu, het versterken van de campusvorming van de universiteiten en een goed aanbod aan vestigingslocaties zijn belangrijke voorwaarden. Innovatie wordt gestimuleerd door samenwerking tussen kennisintensieve bedrijven en instellingen binnen en buiten Oost-Nederland en door het versterken van de ‘gouden driehoek’ (overheid, ondernemers en onderwijs). De demografische ontwikkelingen in Oost-Nederland vragen aandacht. Naar verwachting stabiliseert de bevolkingsgroei als geheel in 2030, terwijl de grotere steden, mede als gevolg van urbanisatie, blijven groeien. Als tegenbeweging zijn in de meer landelijke gebieden de gevolgen van krimp al merkbaar (bijv. Achterhoek). Dit heeft gevolgen voor de arbeids- en woningmarkt, het voorzieningenniveau en daarmee voor de ruimtelijke structuur en het vestigingsmilieu. Ook vergt het extra aandacht voor de bereikbaarheid van de grootstedelijke agglomeraties. Oost-Nederland wil haar energieopwekking op een toekomstbestendige, duurzame en innovatieve wijze laten plaatsvinden, zodat zij minder afhankelijk is van fossiele brandstoffen.

Versterken en benutten van achterlandverbindingen

Bereikbaarheid is een randvoorwaarde voor het versterken van de economische potentie. Door Oost-Nederland lopen drie (internationale) Oost-West achterlandverbindingen over de weg (A1, A12 en A15), aangevuld met belangrijke verbindingen over water (Waal, IJssel, Twentekanalen) en spoor (ICE-verbinding Randstad-Duitsland, Berlijnlijn voor personen- en Betuweroute voor goederenvervoer). Noord-Zuid loopt er een verbindingszone tussen A1 en A12/A15 via A50. De achterlandverbindingen langs Waal, A15, Betuweroute, Twentekanalen, A1 en Berlijnlijn zijn hoofdcorridors van het TEN-T (Trans-European Transport Network). De hieraan gelegen binnenhavens van Nijmegen, Hengelo, Almelo en Deventer, zijn als Europese hoofd (core) binnenhavens aangemerkt. Bij de watercorridors dienen oplossingen zowel het scheepvaartbelang als de hoogwaterveiligheid te borgen. Als gevolg van menselijk ingrijpen en klimaatverandering ondervinden de Rijntakken namelijk steeds meer bodeminstabiliteit (erosie en aanzanding). Rijk en regio moeten samenwerken om ongewenste ingrepen te voorkomen en synergiemaatregelen te stimuleren.

Oost-Nederland heeft de ambitie om meer economisch rendement te halen uit de doorvoer van goederen van de mainports naar Duitsland, door op multimodale knooppunten meer activiteiten te genereren die toegevoegde waarde leveren. Voor de achterland-verbindingen is de totstandkoming van één logistiek systeem (spoor, vaarwegen en wegen) dat synchromodaliteit faciliteert, het uitgangspunt. De synergie tussen havens en andere multimodale knooppunten wordt versterkt, zodat de groei van het goederenvervoer zo veel mogelijk via binnenvaart en spoor wordt opgevangen.

Het hoofdwegen- en het hoofdspoorwegennet heeft ook een regionale ontsluitende functie voor de stedelijke gebieden. Dit geldt met name voor Arnhem-Nijmegen, Twente, Stedendriehoek en Zwolle-Kampen. Oost-Nederland zet in op zowel het versterken en benutten van de achterlandverbindingen, alsmede op de bereikbaarheid van en tussen de stedelijke gebieden in Oost- en Noord-Nederland, Randstad, Duitsland en Brabant.

Wateropgave

In Oost-Nederland spitst het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving zich toe op de waterveiligheid rond de grote rivieren en flexibilisering van het IJsselmeerpeil. Piekafvoer kan als gevolg van klimaatverandering toenemen en vaker optreden. Daarom werken Rijk en regio samen aan de waterveiligheid in het MIRT Onderzoek Deltaprogramma Rivieren. In 2014 adviseert de deltacommissaris het kabinet over mogelijke nieuwe normen voor waterveiligheid. Het streven is dat iedereen die in Nederland achter een dijk woont, kan rekenen op een basisveiligheidsniveau. Aanvullend hierop wordt bezien of er extra maatregelen nodig zijn voor die gebieden waar nu een relatief grote kans is op grote economische schade en/of veel slachtoffers. Tenslotte zal aandacht worden besteed aan de gevolgen van een overstroming voor vitale en kwetsbare infrastructuur. Rijk en regio zoeken in het gebiedsgerichte deelprogramma Rivieren van het Deltaprogramma naar slimme oplossingen voor het borgen en – waar nodig – verder verbeteren van de waterveiligheid. Daarbij wordt naar (innovatieve) dijkversterking, rivierverruiming, afvoerverdeling en ruimtelijke aanpassingen achter de dijk en rampenbeheersing gekeken (meerlaagsveiligheid). Behalve de deltabeslissing over nieuwe veiligheidsnormen zijn ook de beslissingen die het kabinet in 2015 neemt over de zoetwatervoorziening, de Rijn-Maas monding, het IJsselmeer en Ruimtelijke adaptatie van belang.

In Oost-Nederland liggen belangrijke bundelingen van economische waarden in het gebied rond Arnhem-Nijmegen, Food Valley, Zwolle-Kampen en de Stedendriehoek. Bij de keuze van maatregelen die de waterveiligheid vergroten worden dan ook meerdere belangen meegewogen: natuur, gebiedsontwikkeling en economie (bevaarbaarheid, overslagmogelijkheden, recreatief medegebruik). De ‘flessenhalzen’ die steden vormen voor de rivier, creëren voor de wateropgave zowel een uitdaging als kansen, in combinatie met de ruimtelijke inrichting en de stedelijke ontwikkeling, zoals het geval is bij bijvoorbeeld de dijkteruglegging bij Lent.

MIRT Projectenboek 2014

Hoofdmenu

Servicemenu